Domino

In de overtuiging dat het leven een eenmalig en onuitputtelijk avontuur is dat ten volle beleefd moet worden, treedt de hoofdpersoon van de roman Domino in het voetspoor van zijn rusteloze vader, ex-telegrafist bij de KLM, kettingroker en najager van ‘de wereld van Peter Stuyvesant’. De jongeman reist naar het Noord-Italiaanse stadje Bellagio dat hij voor een weelderig en intiem paradijs houdt, de tuinen van de wereld. Tijdens zijn omzwervingen wedijvert hij met de vliegtochten van zijn vader en wil hij in de vrouwen die hij ontmoet de liefdes van zijn vader evenaren. Maar herinneringen aan een drankzuchtige moeder, verdachte vriendinnen en voorbije jeugdjaren werpen een smet op het gedroomde paradijs. Domino, geschreven in een lyrische stijl, is een roman over de triomf van de liefde en de herinneringen over het onverbiddelijke voortgaan van de tijd, over het verlangen naar de troost van het vaderschap.
In De Tijd schreef Koos Hageraats over Domino: “Met deze roman sluit Kester Freriks aan bij generatiegenoten als A.F.Th. van der Heijden en Frans Kellendonk. Met de verbeelding heeft Freriks zichzelf bevrijd door naar de wortels van zijn schrijverschap te zoeken, tegelijkertijd verwezenlijkt hij dat schrijverschap. Hij heeft zijn plek gevonden. ´Vanuit de diepte kijkt hij zichzelf aan.’ Een prachtige speurtocht…”
Joost Zwagerman in Vrij Nederland: “Als gezegd is Domino een dankbetuiging, de dankbetuiging van een schrijver aan alles en iedereen die hem het belang van het ‘fabuleren’ heeft laten inzien.”

Domino. Roman. Uitg. Meulenhoff, Amsterdam 1988.